In de zomer van 2005 kwam ik voor het eerst in aanraking met de naam Mojud. Ik kwam het boekje ‘' Mojud, het leven van een soefimysticus'' bij iemand tegen en las het. Ik vond het een prachtig raadselachtig verhaal met mooie tekeningen erbij. Een jaar later kocht ik het boekje zelf en las voor het eerst ook de uitleg erbij van Osho. Het is een eeuwenoud soefiverhaal over de weg van de spirituele zoeker. Dit verhaal is ontzettend simpel en sommigen zeggen : te eenvoudig. Lees het zelf en laat het je bekoren en raken zoals het mij deed.

Het woord Mojud heeft twee betekenissen. Letterlijk betekent het ‘iemand die aanwezig is'. Mojud betekent iemand die een innerlijke aanwezigheid heeft, die over opmerkzaamheid beschikt, die alert, die bewust is. En de tweede betekenis, die van de eerste is afgeleid: iemand die in het heden leeft, die present is in het heden.

 



Khidr

Als je stil wordt, als je aanwezig wordt, als je mojud wordt, komt er een moment waarop de innerlijke gids, je meest innerlijke kern, tot je begint te spreken. Die innerlijke gids staat in dit verhaal bekend als ‘Khidr'. Het is een verhaal van en over vertrouwen.

 
van Osho publikaties®
 

Ergens in een stad waar hij een baantje als ambtenaar had, woonde eens een man die naar de naam Mojud luisterde, en het zag ernaar uit dat hij zijn dagen zou eindigen als inspecteur van het ijkwezen.

Eens op een dag toen hij door de parken van een oud bouwwerk in de buurt van zijn huis een wandeling maakte, verscheen hem de mysterieuze gids van de soefi's, genaamd Khidr, gehuld in schitterend groen. En Khidr zei: “Man van goede vooruitzichten! Met achterlating van je werk moet je over drie dagen naar mij toekomen; je vindt me aan de oever van de rivier.” Toen was hij verdwenen.

Met knikkende knieën ging Mojud naar zijn baas om hem mee te delen dat hij moest vertrekken. Het bericht ging als een lopend vuurtje door de stad en de mensen zeiden: “Arme Mojud! Het is hem in zijn bol geslagen.” Maar omdat er heel wat gegadigden voor zijn baantje waren, duurde het niet lang of ze waren hem vergeten.

Zoals afgesproken had Mojud drie dagen later zijn ontmoeting met Khidr, die tegen hem zei: “Scheur je kleren aan flarden en werp je in de stroom. Misschien komt er wel iemand je redden.”

Mojud deed het, hoewel hij zich afvroeg of hij wel goed bij zijn verstand was. Omdat hij kon zwemmen verdronk hij niet, maar hij was een heel eind stroomafwaarts gedreven, voordat een visser hem in zijn boot hees met de woorden: “Dwaas die je bent! Er staat een sterke stroming. Wat was je in vredesnaam van plan?” Mojud zei:”Ik ben een boon als ik het weet. ”

“Jij bent niet goed wijs”, zei de visser,”maar ik zal je meenemen naar mijn rieten hut daarginds bij de rivier, en dan zullen we zien wat we voor je kunnen doen.”

Toen hij bemerkte dat Mojud een beschaafde manier van spreken had, ging hij bij hem in de leer voor lezen en schrijven. Als tegenprestatie gaf hij Mojud te eten en deze op zijn beurt hielp de visser bij zijn werk.

Enkele maanden later verscheen Khidr opnieuw, dit keer aan het voeteneind van Mojud's bed, en hij zei:”Opstaan nu, en ga bij deze visser weg. Er zal voor je gezorgd worden.” Nog in visserskleren verliet Mojud zonder enig talmen de hut, en zo doolde hij wat rond totdat hij bij een grote weg kwam.

Bij het krieken van de morgen zag hij een boer op een ezel die op weg was naar de markt. “Ben je soms op zoek naar werk?” vroeg de boer. “Ik heb een mannetje nodig om me te helpen wat goederen mee terug te nemen.” Mojud ging met hem mee. Bijna 2 jaar werkte hij voor die boer, en in die tijd stak hij aardig wat over landbouw op, maar veel anders leerde hij niet.

Laat in de middag toen hij bezig was wol in balen te verpakken, verscheen Khidr hem weer en zei: “Ophouden met dat werk; ga naar de stad Mosoel en gebruik je spaargeld om huidenkoopman te worden.” Mojud gehoorzaamde.

In Mosoel kreeg hij naam als huidenkoopman, maar in de drie jaar dat hij dit beroep uitoefende, zag hij Khidr nooit. Hij had een behoorlijke som geld gespaard en in gedachten speelde hij al met het plan om een huis te kopen.

Maar daar verscheen Khidr weer en zei:”Geef mij je geld maar, ga uit deze stad weg naar het afgelegen Samarkand, om daar voor een kruidenier te werken.” Ook daaraan gaf Mojud gehoor. Van dit moment af aan begon hij onmiskenbare tekenen van verlichting te vertonen. Hij genas zieken, hielp in de rest van zijn tijd zijn medewinkelier een handje, terwijl zijn geheime kennis zich meer en meer verdiepte.

Geestelijken, filosofen an anderen kwamen hem bezoeken en vroegen: “Bij wie bent u aanvankelijk in de leer geweest?” “Dat is moeilijk te zeggen”, was dan het antwoord van Mojud. Zijn volgelingen vroegen: “Waarmee is je loopbaan begonnen?” en hij zei:”Als lage ambtenaar.”

“Heb je dat dan opgegevn om je aan zelfvernedering te wijden?” “Dat nou niet, ik heb dat baantje gewoon opgegeven.” Ze konden hem echt niet begrijpen.

Mensen die zijn biografie wilden schrijven benaderden hem. “Wat bent u in het gewone leven geweest?” was hun vraag. “Ik ben een stroom ingesprongen, werd toen visser, liep vervolgens in het holst van de nacht uit de rieten hut weg, waarna ik boerenknecht werd. Toen ik bezig was wol in balen te pakken, kreeg ik een ander idee en ik ging naar Mosoel, waar ik huidenkoopman werd. Ik heb daar wat geld gespaard, maar dat heb ik weggegeven. Toen ben ik naar Samarkand gelopen, waar ik voor een kruidenier gewerkt heb. En zo komt het dat ik nu hier ben.”

“Maar dit onverklaarbare gedrag werpt geen licht op je ongewone gaven en staaltjes van wonderen”, zeiden de biografen.

Dat is waar, was het antwoord van Mojud. Daarom zetten de biografen voor Mojud een wonderlijk en opwindend verhaal in elkaar. Want alle heiligen moeten hun levensgeschiedenis krijgen, en het verhaal moet in overeenstemming zijn met de smaak van de toehoorder, niet met de werkelijkheid van het leven. En het is niemand veroorlooft om rechtstreeks over Khidr te spreken. Daarom is dit geen waarheidsgetrouw verhaal. Het is een weergave van hoe een leven verloopt. Dit is het werkelijke leven van één van de belangrijkste soefi's.
 

BRON: Mojud, het leven van een soefimysticus. Osho publikaties, 1988 & 2005. ISBN 90-5980-031-1